
Vrouwen in de Gouden Eeuw waren zowel heroisch als bazig. Ze hadden de figuurlijke broek aan, zowel in huis als daarbuiten. Dat is het algemene beeld bij het enigszins historisch onderlegde grote publiek. Dit beeld is gevoed door verhalen in dagboeken van buitenlandse toeristen aan Holland maar ook door schilderijen van onze eigen 17de-eeuwse schilders die vrouwen over het algemeen letterlijk afschilderden als manhaftig. Maar klopt dat beeld eigenlijk wel? En wat waren de omstandigheden voor vrouwen in de periode? Vragen die historica Danielle van den Heuvel in haar doorwrochte studie Women & enterpreneurship – women and work in the early modern period beantwoordt.
Historische verklaringen
Uit eerdere historische onderzoeken is gebleken dat er een aantal verklaringen is aan te voeren voor de grote rol die vrouwen speelden in het dagelijks leven in de periode 1580 tot 1815.
- de urbanisatie in de Noordelijke Nederlanden (circa 60 procent van de inwoners van Holland woonde in een stad) speelde een grote rol;
- de mate van geletterdheid onder de bevolking in deze periode;
- het belang van de handel voor de economie van de Republiek;
- het ontbreken van veel mannen vanwege het feit dat de Nederlanden een zeevarende natie waren en daarmee de rol die vrouwen in de samenleving konden spelen;
- het bestaan van een aparte legale status van vrouwen die hen handelingsbekwaam maakte.
Van den Heuvel onderzoekt al deze argumenten door in archieven op zoek te gaan naar bronnen die de heersende theorie bevestigen of ontkrachten. En zij is de eerste die dit systematisch heeft gedaan. Het gevolg is een interessant boek dat helder de positie van vrouwen omschrijft.
Participatie van vrouwen
De economische structuur van de stad of het gebied waar vrouwen woonden, was bepalend voor de economisch participatie van vrouwen. Het is een beetje een open deur maar een stad als Amsterdam dat in de loop van de 17de eeuw de positie van belangrijkste handelstad ter wereld verwierf, kende een groot aandeel van vrouwen in de handel. Groter dan bijvoorbeeld een stad waar de nijverheid de belangrijkste economische factor was. Daarnaast speelde ook het type handel een grote rol. Van den Heuvel heeft dat in drie soorten handel gecategoriseerd. De marktkooplieden, de winkeliers en de kooplieden. Niet verrassend is haar conclusie dan ook hoe groter de schaal van de handel, hoe lager de participatie van vrouwen. Maar toch was ongeveer een kwart van de kooplieden vrouw.
Culturele normen
Culturele normen waren bepalender voor de rol die vrouwen konden spelen in de handel dan bijvoorbeeld toegankelijkheid tot de markt of het type handel dat zij bedreven. En die culturele normen wogen vooral zwaar voor vrouwen uit de hogere sociale klasses. Zij hadden hun (familie)kapitaal mee en liepen niet op tegen de barrières van de gildes zoals winkeliersters en marktkoopieden dat wel deden. Gildes waren immers mannenbolwerken par excellence. Desondanks heeft Van den Heuvel weinig getrouwde vrouwen gevonden die onder hun eigen naam actief waren. Wel, en dat is opvallend, zag zij dat welgestelde vrouwen zich opstelden als financierders, durfkapitalisten in ons jargon, een lucratieve maar onzichtbare bezigheid.
Conclusie
De studie eindigt met de vraag waar mee Van den Heuvel ook min of meer begon. Klopt dat beeld van die heroische, zelfstandige vrouw in de periode 1580 – 1815 nu wel of is het een mythe? Haar conclusie is verrassend. Het beeld van actieve economische participatie van vrouwen in de 16de en 17de eeuw klopt weliswaar met de kanttekening dat het vooral een fenomeen was in de verstedelijkste delen van de Republiek. Maar de periode tot circa 1700 was slechts de opmaat voor de eeuw daarna. Pas toen begon de Gouden Eeuw van vrouwelijk ondernemerschap pas echt. En de verhalen van de 17de eeuwse toeristen? Hun beschrijvingen geven meer dan genoeg reden om vragen te stellen over de positie van vrouwen in hun samenlevingen.
Antia Wiersma is cluster manager Publieksdiensten bij Aletta E-Quality en heeft geschiedenis gestudeerd.






