
Onder de titel Intimate Strangers (intieme vreemden) hield Sarah van Walsum op 7 juni haar inaugurele rede als hoogleraar Migratierecht en familiebanden aan de VU Amsterdam. Zijn ‘vreemdelingen’, zoals migranten zonder de Nederlandse nationaliteit juridisch worden aangeduid, echt zo vreemd?
De helft van de vreemdelingen die naar Nederland komen zijn (huwelijks)partners, kinderen of ouders van Nederlanders, of van hier gewortelde migranten. En ook asielzoekers of arbeidsmigranten kiezen vaak voor een land waar zij familie hebben wonen. Sarah van Walsum bepleit om dit gegeven te betrekken bij het juridische en politieke denken over migratierecht.
Veranderend gezinsdenken
Van Walsum signaleert hoe het veranderende denken over het gezin in Nederland in de afgelopen decennia effect heeft op het denken over gezinsmigratie. Na de tweede wereldoorlog draaide alles om het hetero kerngezin met een sterk gegenderde taakverdeling: de man als kostwinner, de vrouw als verzorgende huisvrouw. Vanaf de jaren ’70 begon dat te veranderen, mede dankzij de vrouwenbeweging. Heteronormativiteit ging op de helling, scheiden werd makkelijker, ongehuwd samenwonen werd normaal, nieuwe vormen van ouderschap kwamen op, kinderen werden autonomer ten opzichte van hun ouders, en het kostwinner/huisvrouwgezin ging op zijn retour. Deze veranderingen hebben het volgens Van Walsum mogelijk gemaakt dat de regering steeds meer beperkingen kon opleggen aan grensoverschrijdende families. Echtgenoten hebben niet meer vanzelfsprekend het recht om bij elkaar te wonen: het kan in het nationaal belang gerechtvaardigd zijn huwelijksmigratie te weigeren. Ook het bij elkaar horen van ouders en kinderen is minder vanzelfsprekend geworden.
De prijs voor de verworven autonomie en individualisering is dus, wrang genoeg, dat de overheid meer dan voorheen mag ingrijpen in de privésfeer – onder andere door middel van het migratierecht.
Gezin onmisbaar?
Van Walsum ontkent niet dat gezinnen/families ook schaduwzijden hebben. Zij kunnen een broedplaats van machtsongelijkheid zijn. Maar volgens Van Walsum is het gezin (of de familie, in het Engels is dat minder scherp onderscheiden dan in het Nederlands) onmisbaar bij het zorgen voor kinderen, ouderen, of zwakkeren. Want terwijl er een verschuiving is opgetreden van gezin/familie naar individu, is de verzorgende rol van het gezin niet overgenomen door andere systemen.
Een andere functie van families, is dat zij een min of meer eigen systeem van normen en waarden kunnen hebben – los van het dominante denken. Op die manier dragen families bij aan pluriforme waarden, en kritisch burgerschap. Een functie die voor grensoverschrijdende gezinnen des te relevanter is nu in Nederland een backlash gaande is tegen multiculturaliteit, en iedereen geacht wordt ‘de’ Nederlandse normen en waarden over te nemen.
Mensenrecht
Van Walsum heeft in 2011 een VICI-subsidie toegekend gekregen, waarmee zij een multidisciplinaire onderzoeksgroep heeft samengesteld rond het thema ‘Migration law as a family matter’. Een veelbelovend thema. Het bestaan van intieme vreemden levert interessante spanningen en tegenstellingen op.
Vraag is voor mij wel of de focus op familie en gezin daarbij niet te beperkt, en beperkend, is. Ook buiten het gezin kunnen intimiteit en onderlinge zorg vorm krijgen, kunnen pluriforme waarden worden ontwikkeld, en kunnen grensoverschrijdende banden bestaan die voor individuen heel belangrijk zijn.
Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat in de jurisprudentie vaak een breekijzer is voor gezinsmigratie, biedt recht op respect voor gezins- en familieleven, maar ook recht op respect voor het privéleven. Zouden we niet moeten werken aan een juridisch hanteerbare invulling van dat begrip privéleven? Recht op respect voor significante banden ook buiten gezin en familie lijkt mij een feministisch mensenrecht.
Sabine Kraus, senior beleidsadviseur Aletta E-Quality





