
Aangezien Aletta Jacobs en Carel Gerritsen vanwege het slechte weer aan de kust alsnog in Glasgow zijn beland, hebben ze meteen van de gelegenheid gebruik gemaakt om een bezoek aan een kolenmijn te brengen. Er loopt een spoorweg direct naar de mijn, dus de fietsen hebben ze achtergelaten in het hotel. Het eerste stuk van de trein is ondergronds, maar buiten Glasgow komt de trein weer boven de grond en kunnen ze van het daglicht genieten. De reis naar de mijn duurt ongeveer een half uur en eenmaal aangekomen bij het eindstation ligt de mijn op slechts vijftig meter afstand. De firma Baird & co exploiteert drie mijnen en heeft ongeveer 2700 arbeiders in dienst waaronder 180 Polen.
De mijn levert uitsluitend steenkool voor de export, waarvan het grootste gedeelte naar Noorwegen gaat. Het recht om de steenkolen uit de aarde te halen is duur, maar de machinerie is gelukkig vrij eenvoudig.
“Een stoommachine perst versche lucht in de schachten en zorgt voor een goede werking der ventilatoren. Zij brengt voorts de assen in beweging waarlangs de kabels zonder eind loopen, die de koelwagentjes doet rijzen en dalen in de put en die de mijn tot onder het gat waar ze naar de oppervlakte der aarde wordt gevoerd. Hier aangekomen, wordt over verschillende zeeften gevoerd en zoo gesorteerd; dan worden de groote stukken nog gezuiverd van steenen en daarmede is dit soort kolen gereed voor den uitvoer.”
“De kleinere stukken die door den zeeg vallen ondergaan een bewerking meer. Die worden namelijk gewasschen en krijgen daardoor een glinsterend aanzien. Dit wasschen bestaat in het nat maken der kolen met water en ze daarna te schudden in een groote, langwerpige ronden ijzeren bus met gaten aan de zijde, waardoor het water kan wegloopen. Is dat geschied, dan is ook dit soort gereed voor export. Het gruis dat overschiet, wordt door voeding der stoommachine van de mijn gebruikt.”
Met een mijnlamp in de hand, een leren kap over het hoofd en een oude jas zijn Jacobs en Gerritsen door de stoere Schot John Laurrie door de mijn rondgeleid. Eerst raasden ze met de lift 600 meter omlaag de donkere diepte in. Hier brandt elektrisch licht, maar dit houdt al snel op wanneer ze een schacht zijn gelopen.
“Wij begonnen het nut van het mijnlampje te beseffen, want overal lagen er rails en telkens kwamen met groot gedruisch kolenwagentjes ons tegemoet of achterop rijden. Bovendien hadden wij telkens ons hoofd te behoeden tegen de aanrakingen met uitstekende steenen of met dragen van electrische schellen, terwijl rechts en links de kabel der wagentjes zich voortbewoog”.
In het begin is de gang nog breed, maar na 1000 meter begint het steeds smaller te worden. In een half voorovergebogen houding vervolgden zij hun weg, terwijl ze af en toe moeten rusten. De atmosfeer is warm en onaangenaam, maar ze zijn nog lang niet waar de mijnwerkers aan het werk zijn.
“Die laatste 100 meter zou ons heugen. Mijn levenlang zal ik die niet vergeten. De breedte der schacht was onregelmatig geworden, echter niet meer dan 1 ½ meter, de hoogte was iets meer dan 1 meter, docht meestal bepaalde zij zich daartoe. En de bodem was vol losse stukken steenkool. Op handen en voeten, met de lamp in een knoopsgat van den mantel gehangen, legden wij de laatste 50 meter af in een benauwde, warme atmosfeer, transpireerende, zooals wij nimmer tevoren hadden gedaan.”
Dit is het negende deel in de serie Tour d'Aletta





