
Op uitnodiging van Erfgoed Nederland ben ik de afgelopen twee dagen in Brussel geweest. Doel was inzicht te krijgen in de manier waarop ‘Europa’ werkt en hoe wij als erfgoedsector enerzijds het beleid kunnen beïnvloeden en anderzijds weten welke mogelijkheden het ons biedt. Het was een interessant en bij tijden verbijsterende studiereis waarbij ik mij echt ‘Alice in Europland’ voelde.
In het Verdrag van Lissabon (het verdrag op basis waar op momenteel de Europese Samenwerking is gestoeld) wordt cultuur al in het 3e artikel genoemd. Daarin wordt de instandhouding en ontwikkeling van Europees cultureel erfgoed bepaald. Maar tegelijkertijd wordt cultuur en daarmee erfgoed gezien als iets wat in alles wat de Europese Unie doet, moet terug keren, of het nu agrarisch, maritiem, economisch of educatief is. Met andere woorden Europa benadert erfgoed als een middel om tot het doel, burgerschapsgevoel bevordering, te komen. De intrinsieke waarde van cultuur en erfgoed is daarmee gereduceerd tot een instrumentele waarde. Daarbij komt het zogenoemde subsidariteitsbeginsel, wat betekent dat de instandhouding van cultuur en erfgoed in feite geregeld moet worden op lidstaatniveau.
Aletta richt zich naast het behoud en beheer van erfgoed van vrouwen ook op de emancipatie van vrouwen. Binnen de Europese Commissie beheert Viviane Reding, afkomstig uit Luxemburg en vice-voorzitter, de portefeuille Justitie. In de brochure waarin de leden van de commissie zich voorstellen wordt zelfs een paragraaf van gelijke rechten besteed. Daarin staat: ‘Commissaris Reding heeft plannen om de gelijkheid tussen mannen en vrouwen op alle gebieden van het EU-beleid te versterken. De salariskloof tussen beide geslachten te verminderen, het aantal vrouwen in besluitvormende functies te verhogen en geweld tegen vrouwen te bestrijden zijn op dit gebied haar voornaamste prioriteiten.’ Ik was dan ook aangenaam verrast toen ik hoorde dat een van de 20 parlementaire commissies van het Europees Parlement gaat over het onderwerp ‘rechten van de vrouw en gender gelijkheid’.
In deze twee dagen zijn we langs allerlei Europese instanties gegaan. Van de Europese Commissie tot de vertegenwoordiging van de provincie Noord-Holland in Europa. Wat continu opviel was de roep om informatie van de ambtenaren, politici en lobbyisten. Keer op keer werd ons op het hart gedrukt, gevraagd en ongevraagd onze kennis te delen opdat ‘men’ in Europa een afgewogen oordeel kan vellen over de vele beleidsvoornemens.
Het idee dat Europa ver van ons af staat is tijdens deze reis toch wel enigszins bijgesteld. Dat het een bureaucratisch en tijdrovend proces waarbij 27 lidstaten (met 27 verschillende belangen) altijd leidt tot een compromis weet ik nu zeker. En wat Europa voor Aletta en in zekere zin dus ook voor mij als burger kan betekenen? Daar ga ik mij de komende tijd zeker in verdiepen.
Antia Wiersma






